Boottocht op de Congo: de vloeibare snelweg

Mart Hovens. Vannacht om 4 uur vertrokken we weer uit de haven van Mbandaka. De rivier gaat nu langzamerhand naar het oosten afbuigen. Nog 1000 km te gaan tot Kisangani. Ik weet niet of ik dat ga halen met mijn verslechterde gezondheid. Door de dieseldampen uit de belendende machinekamer adem ik steeds moeilijker.

Rond 6 uur stond ik op. Ik open mijn deur en kijk tegen een oude man aan, die zich aan de reling vasthoudt. Hij had een slordige grijze baard en een soort overdwarse Napoleonsteek op. ‘Machete, machete!’ (kapmes). Ik schrok: wilde hij me aanvallen met een machete? Ik ging snel de deuropening versperren om mijn spullen te beschermen. Om de hoek zag ik een bemanningslid aankomen en die vroeg ik te helpen. ‘Hij wil een machete van je kopen’.
De zon komt oranjekleurig achter de woudreuzen op. We varen door het ondoordringbare oerwoud. Tussen de bomen komt waterdamp omhoog. De bomen meteen langs de rivier staan met hun stam in het water. De hutjes op de oever zijn weer op palen en weer van stro. Enkele grote duwboten met duwbakken vol boomstammen varen langs. Tot op het randje zitten en staan mensen. Op hun paar vierkante centimeter doen ze hun dagelijkse dingen: koken, eten, afwassen, kleren wassen, kwebbelen, ruziën. Ze zwaaien naar onze boot. Er zal toch echt wel eens iemand in het water vallen, denk ik.
Ik keek nu eens verder rond. Aan mijn kant van de boot hingen een tiental prauwen, allemaal vol met vrouwen, meisjes en baby’s. Een baby werd aan mij overgereikt. Ik verstond de moeder niet maar ik zal het wel mee naar huis hebben mogen nemen. Ik kreeg niet de indruk dat ze veel verkochten. Misschien zochten ze spul uit de stad om te kopen. Ook haakten schoolkinderen aan, herkenbaar aan hun uniformpje en rugzakje. Ze liften naar de school verderop. Ik neem niet aan dat die strakke Nederlandse lestijden heeft. Een kwartier later zie ik de school, vier palen en een rieten dak. Zo’n 20 leerlingen in rieten bankjes. Een schoolbord kon ik niet onderscheiden.
Sommige prauwen halen maar nét de achtersteven van de duwboot. Dan moet iemand zich lang maken om de reling te pakken en de boot langszij te trekken. Vaak helpt een bemanningslid van ons. Mislukt het, dan zie je de prauw snel in onze maalstroom naar de horizon verdwijnen. Maar de meeste roeiers zijn ontzettend behendig en springen van de ene naar de andere prauw om snel een stuk touw vast te maken. De prauw is voor hen wat voor ons de fiets is.
De rivier is duidelijk de vloeibare A2 van het tropisch regenwoud. Tientallen prauwen varen af en aan. Soms liggen er vier naast elkaar aangemeerd. De producten zijn ook diverser dan voorheen. Ik zie grote slakken, maniokmeel, suikerriet, visfuiken, en uiteraard veel vis. En als ik rondloop op de boot, dan is die tot de AH omgetoverd. Waar gisteren nog 15.000 kratjes stonden, staan nu allerlei waren uitgestald. Mijn beide buurvrouwen verkopen tweedehands kleding uit Kinshasa. Andere vrouwen van bemanningsleden verkopen westerse medicijnen, batterijen, lucifers, schoenen, pannen, limonade, en plastic emmers, bakjes, mokken, etc. De riverains (oeverbewoners) verkopen ook nog traditionele medicijnen, maniokblaadjes, rupsen, oerwoudvruchten, rieten stoeltjes, bananen, aubergines, kippen, en de enorme vette larven (2 bij 5 cm) die in het rottend hout van de palmboom leven. De bezoekers zijn beter gekleed dan op het stuk vóór Mbandaka, en er gaat ook meer geld om, heb ik de indruk.
Een forse steekvlieg steekt me. Zijn achterlijf is geel-bruin gestreept, en zijn grote facetogen zijn metalig groen. Het is geen tseetseevlieg (want die heeft de vleugels gekruist) gelukkig. Mijn schuursponsje wordt gekoloniseerd door kleine mieren, terwijl het toch echt van synthetisch materiaal is. De alom aanwezige bruine wantsen lopen langs de muur. Ik wil hen niet in mijn matras hebben, daarom heb ik het plastic er omheen gelaten. In de buitenlucht zie ik allerlei libellen vliegen. Behalve zwermen zwaluwen rond de insecten in de schemering, nauwelijks vogels. Op de markt van Mbandaka zag ik katapulten te koop. Er zal wel een causaal verband zijn.
In de groene muur langs de kant flikkert af en toe wat lichtblauws op, een vlinder. Later in de lage struiken een fel oranjeblauwe vogel met een rode snavel: de malachietijsvogel. Ook springen paarse en witte bloemen van een klimplant eruit. Een passievrucht? Voor de rest zijn het alle denkbare kleuren groen in alle denkbare vormen bladeren. Het oerwoud is tweedimensionaal, het kent geen diepte, na de groene muur is het ondoorzichtig. Varens, struiken, kronkelende lianen, klimplanten en wurgbomen versperren de blik. Af en toe zie je boven het bos uit een door blikseminslag zwarte kale stam of de dode takken van een gestorven woudreus. Ik weet van ons eigen dierenpark dat de enige manier om door het bos te komen, het kappen van een doorgang is. Bossen zijn massiever en ondoordringbaarder dan bij ons.
Gegil. Vlak voor mijn neus slaat een prauw om. Ik ben te verbouwereerd om te filmen. Een man en een jongen komen met het hoofd boven water. Ze klampen zich aan de omgekeerde prauw vast. Ze lachen en verdwijnen snel stroomafwaarts. Ik pak de verrekijker en zie hoe ze de boot weten om te keren. Het jongetje klimt erin en schept het water eruit. Dan klimt de vader er ook in en roeien ze beiden naar de oever. Ik hoop dat ze iets verkocht en niet gekocht hadden.
De volgende ochtend is het al vroeg druk langs en aan boord. Onze boot is het stukje niemandsland tussen de moderne en de traditionele wereld geworden. Woudbewoners bieden hun bosproducten aan. Als een marktvrouw op onze boot er snel bij wil zijn, gooit ze een doekje of een propje papiergeld op het bosproduct in de prauw. Uiteraard ontstaat er daarna veel discussie, zo hoort dat hier.
Ik maak een rondje over de boot en probeer iedereen te groeten of aan te spreken. Het is druk. De bemanningsleden en hun vrouwen ken ik inmiddels en zij praten voluit. Hun Frans is zwak en mijn Lingala – eufemistisch gesteld – ook. Veel riverains kijken nors voor zich uit als ik langsloop. ‘Mundèle’ (blanke) en ‘Chinois’ hoor ik ze zeggen. Kleine kinderen zijn bang van me, de wat grotere strijken over mijn huid. Dit heb ik al vaker meegemaakt. Ze willen weten of ik afgeef zoals ook de witte mannen die gisteren de zakken meel uit het ruim haalden.
Ik passeer een eetstalletje met beignets (oliebollen) en volksvoedsel nummer één in Congo: chikwangwe (in blad gewikkelde maniokpasta). Het overgrote deel van de producten die de oeverbewoners verkopen, is vis. Ofwel gerookt: zwart en op elkaar geperst in een plat mandje van riet. Ofwel gedroogd en gezouten en dan liggen ze opengesneden in rijtjes op een stuk karton. Ofwel vers en dan kronkelen ze op het dek of in een plastic bak. Veel soorten grondvis, meervallen, met hun platte kop met dikke snorharen. Ze leven op de bodem van de rivier. Als de vissers ‘s avonds hun koplamp opdoen, komen ze naar het wateroppervlak en worden ze gevangen. Ook zie ik gerookte slang en rat, een levende palingachtige riviervis (1 m, 15 €) en de beschermde rode halsbandparkieten (niet om te eten maar als huisdier). Ook illegaal waarschijnlijk is de schildpad die aan een touwtje door zijn schild vastzit. Hij was vrij groot en had ‘lekker mals vlees’. Een paartje visarenden vliegt laag over, ‘kri kri kri’. Aangelokt door al dat lekkers op ons dek?

Bookmark the permalink.

Comments are closed.

  • Nu op Africa Web TV