De andere kant van het reizen

Beer Visser Het is tijd Maroantsetra te verlaten. Dat kan per vliegtuig, met een taxi-brousse of de Savannah V, de nieuwe lijnboot die over de Indische Oceaan via Mananara en Ile Sainte Marie naar Toamasina vaart. Ik kies voor de laatste optie; ik heb wel zin in een bootreis.

Midden in de nacht vertrek ik met Chico naar het haventje van Maroantsetra, waar tientallen mensen op de kade staan te wachten. Een klein bootje brengt ons vervolgens allemaal in vier tochten naar de Savannah V die nabij Nosy Mangabe voor anker ligt. Boven ons staan de sterren van de schorpioen, aan de horizon is nog net het Zuiderkruis te zien. Twee uur later dan gepland varen we de baai van Antongil uit.
Op de boot kunnen we kiezen: binnen zitten op krappe stoeltjes in de tocht van een te koud ingestelde airco en de herrie van extreem gewelddadige Malagassische films, of buiten. We kiezen voor het laatste, maar raken in een stil gevecht met de kapitein die na een paar uur varen ineens niet meer wil dat we daar zitten zonder daar een reden voor te geven. We besluiten zijn verzoek te negeren wat tot kinderachtige pesterijtjes leidt. Die nemen we op de koop toe. Want ondanks de harde oceaanwind en de brandende zon is het een prachtige overtocht. We zien de zon opkomen, regenbuien over de kustlijn trekken en regenbogen. Af en toe zwemmen er dolfijnen met ons mee. Langwerpige vissen vluchten over het water scherend geschrokken weg van de boot. We zien kleine boomkano’s met plastic zeiltjes op de volle oceaan. Volgens Chico, marien adviseur van de WCS, kan dat alleen maar betekenen dat ze vissen op iets dat zoveel geld oplevert dat dit het risico waard is. Hij denkt aan haaienvinnen voor de Chinese markt. Met lede ogen zien we aan hoe de bemanning van ons schip zakken vol afval over de reling kiepert.
We smeren ons in met zonnebrand en verstoppen onze gezichten achter sjaals en zonnebrillen als de kapitein de deur naar de kajuit op slot doet zodat we alleen nog maar via de achterkant naar binnen kunnen. We verwaaien, verdoven en ademen de uitlaatdampen van de motoren in. Af en toe wordt er een zak met braaksel van zeezieke passagiers in zee gesmeten. Na dertien uur varen komen we aan in de haven van Toamasina. Met zeebenen stap ik de bus in die ons naar het centrum brengt. Ik ben compleet afgemat.
De volgende dag ga ik samen met Chico Toamasina in, een stad die ik vooral ken omdat één van mijn reisheldinnen, Ida Pfeiffer, hier in 1856 in Madagaskar aankwam. Een pousse pousse (fietstaxi) brengt ons naar één van de vele restaurantjes in de stad maar als we eenmaal zitten, wordt duidelijk dat dit een ontmoetingsplek is voor sekstoeristen en prostituees. Het zit vol met oude, blanke – voornamelijk Franse – mannen en mooie, jonge Malagassische vrouwen. Nu het in landen als Thailand steeds lastiger wordt om als oude blanke smeerlap openlijk met jonge vrouwen en meisjes aan je arm rond te lopen, neemt dit soort toerisme in Afrikaanse landen in rap tempo toe. Wat me nog het meest treft, is de onbeschaamde herkenning die al deze mannen bij elkaar vinden. Ze slaan elkaar op de schouders, zitten aan elkaars gezelschap en maken grappen over ze. Ze voelen zich heer en meester in deze stad en over deze straatarme vrouwen. Als we even later het restaurant weer verlaten, bedelen in lompen geklede kinderen om eten en lonken jonge meisjes openlijk naar mijn mannelijke gezelschap. Aan het einde van de straat begint een rauw havengebied waar kleine kinderen met blote voeten door met olie bevuilde plassen lopen. Het regent. Dit is een zieke stad.

Ik ben er niet rouwig om de volgende ochtend te vertrekken. Chico geeft me een lift naar Andasibe, een dorpje dat is omringd door nationale parken en reservaten. Maar de rit stemt me niet vrolijker. We rijden langs de kust naar het zuiden en gaan bij Brickaville het binnenland in. Het regent en overal is het groen, maar daar waar ooit een machtig weelderig ondoordringbaar regenwoud stond, een habitat voor al die uitzonderlijke en zeldzame dieren die alleen hier zijn geëvolueerd, staat geen boom meer overeind. Het land is totaal ontbost. Het meeste bos is gekapt door de lokale bevolking om er rijstvelden aan te leggen en het hout te gebruiken als brandstof. Het geeft een ontluisterende aanblik.
Gelukkig zijn er nationale parken, en hier zie ik weer eens hoe belangrijk die zijn. Want als we Andasibe naderen, komt ook het bos weer terug. En het mag dan wel geen primair woud meer zijn, het biedt in ieder geval een leefomgeving aan de dieren die hier voor hun voortbestaan afhankelijk van zijn. Chico zet me af bij een accommodatie aan de rand van het Anamalazaotra reservaat. “Lied van het woud” heet deze plek in het Malagassisch, omdat je hier elke ochtend het spookachtige gezang van de indri (een lemurensoort) kan horen. Ik neem afscheid van mijn gezelschap en ga vroeg mijn bed in. Ik ben doodmoe van al die treurnis. Ik kan niet wachten om morgenochtend wakker te worden gezongen door de indri’s. Dat zal me goed doen.

Bookmark the permalink.

Comments are closed.

  • Nu op Africa Web TV