De oplossing voor het geweld in Congo

Mart Hovens. Dagelijks vallen er doden in de Kasai en Oost-Congo. Een amalgaam van rebellengroepen en leger- en politie-eenheden moorden elkaar onderling uit. Als collaterale schade vallen er burgerslachtoffers, door kogels, ziekten of honger. Het wordt overal geframed als interetnische geschillen, maar het gaat bijna altijd over economische macht.

Zo is er de strijd van de Hema (veetelers) tegen de Lendu (landbouwers) in Ituri, waarbij de laatste dagen tientallen doden vielen. Echter, de jonge strijders hebben moderne wapens en satelliettelefoons en worden dus van buitenaf bevoorraad. Men denkt uit Oeganda en Rwanda, maar ook goudmaatschappijen hebben zich al schuldig gemaakt aan het leveren van wapens. De gevonden kogels komen uit alle wapenproducerende landen ter wereld. Sinds 1999 zijn zo’n 60.000 mensen in dit conflict omgekomen. Veel aan onthoofding of andere gruweldaden maar de meesten toch aan honger en ziekten (mazelen, cholera).
Het verhaal lijkt op dat van de Tutsi’s en Hutu’s in Rwanda. Vroeger leefden beide groepen samen, spraken elkaars taal en trouwden onderling. De Belgen bevoordeelden de Hema (net als de Tutsi in Rwanda) want die leken nu eenmaal meer op hen. Zo werd het wantrouwen aangewakkerd waar de krijgsheren nu grif gebruik van maken om toegang tot land en tot de vele grondstoffen te kunnen krijgen.
Waarom komt er maar geen einde aan dit geweld? Het antwoord is simpel. Niemand heeft er belang bij. Sterker nog, men verdient eraan. Behalve de gewone burgers natuurlijk, de machtelozen, zij lijden eronder. De krijgsheren, legereenheden en meelopers verdienen aan afpersing, plundering van grondstoffen, en illegale handel in wapens, grondstoffen, drugs en zelfs mensen (daarvoor vinden ontvoeringen plaats). De komst van internationale hulporganisaties verhoogt de verdiensten omdat ze geld meebrengen en er ‘import’ betaald moet worden op hulpgoederen. Het losgeld voor een ontvoerde hulpverlener is bovendien een veelvoud van dat van een Congolees.
De overheid heeft evenmin een prikkel om een einde aan het geweld te maken. Hun lokale chefs verdienen aan alle bovengenoemde activiteiten. Aan de provinciegrenzen en bij alle wegversperringen moet ‘belasting’ betaald worden. Het belangrijkste is echter dat het geweld een fijne dekmantel is om een repressieve staat in stand te houden. Een staat waar de gewone burger geen enkele zeggenschap heeft en waar de president zich kan profileren als sterke man zonder wie het land tot chaos zal vervallen. Verkiezingen zullen het land alleen maar zwakker maken, volgens de president, en zijn dus ongewenst.
Ik lees momenteel het boek De Oplossing van Jonathan Tepperman om te weten te komen hoe andere landen uit zo’n impasse gekomen zijn, hoe ze de oorlogseconomie om hebben weten te zetten in een vredeseconomie. Het kán blijkbaar!
Na de genocide legde Rwanda de nadruk op verzoening en integratie. Traditionele gacaca‘s voerden een lokale en weinig professionele rechtspraak. Dat kon ook niet anders gezien de grote aantallen slachtoffers en daders, de overvolle gevangenissen en het kleine aantal juristen dat het geweld overleefd had. Intussen is Rwanda een aan het oppervlak vreedzaam land met een snel groeiende economie.
De schaduwkant is dat het conflict ontkend werd (toch belangrijk voor verzoening). De woorden Tutsi en Hutu werden taboe (over de derde groep, de Twa – pygmeeën -werd toch al niet gesproken). Een sterke leider moest het land samenbinden maar hij plaatste het slachtofferschap slechts bij één groep en had verder weinig aandacht voor de mensenrechten. Congolezen hebben een allergie tegen Rwanda ontwikkeld (enigszins terecht, denk ik, gezien hun implicatie in de conflicten in Oost-Congo) en zullen dus niet snel voor deze oplossing gaan.
Botswana heeft – net als Congo – veel grondstoffen maar er is geen vloek van de bodemschatten ontstaan. Waarom niet? Het land heeft geen blanke bemoeienis en (dus?) geen geweld gehad, geheel in tegenstelling met Congo. Botswana was niet gekoloniseerd, alleen ‘beschermd’ door de Britten. Het kon zich in alle rust en armoede (het is een woestijnland) ontwikkelen tot een onafhankelijk land, en sterke instituties opbouwen. Toen er diamanten gevonden werden, erkende men het gevaar van de ‘Dutch disease’: de door de export van grondstoffen sterk gestegen waarde van de munt waardoor de import goedkoper wordt en het land niets meer zelf hoeft te produceren. Corruptie werd in Botswana actief tegengegaan (een minister kon nooit op eigen houtje geld uitgeven). Er was geen verspilling aan blingbling (de toppolitici gaven het goede voorbeeld bijvoorbeeld door economy class te vliegen) maar wel werd er veel geïnvesteerd in duurzame zaken als infrastructuur. De belangrijkste reden om de vloek te ontkrachten was dat er goede leiders waren met een goed beleid. Steeds werd gezocht naar consensus met de bevolking. Dat gebeurt in een soort prodemocratische instelling, de kgotla: het samen problemen oplossen, oorspronkelijk op een grasveldje omringd met palen met dierenschedels erop.
Ook dit model kan niet naar Congo overgeplaatst worden. Botswana heeft weinig inwoners, is mono-etnisch (als je de gemarginaliseerde San niet meerekent) en – als gezegd – niet gecorrumpeerd door blanke bemoeienis. Misschien kunnen we beter naar de andere kant van de oceaan kijken. Het grondstof- en bevolkingsrijke Brazilië wist een tijdlang miljoenen mensen uit de armoede te halen door met een Bolsa Familia de inkomsten uit de grondstoffen – onder voorwaarden – te delen met hun bevolking. De opvolger van president Kabila moet eens met de Braziliaanse ex-president Lula gaan praten.
Kortom, De Oplossing voor Congo is er nog niet. Onze eigen minister Kaag was gisteren hier maar ik heb over haar eventuele oplossing nog niets in de Congolese pers kunnen lezen. Wel maakte ze in de Nederlandse pers bekend volgende maand een donorconferentie te organiseren voor financiële steun aan de miljoenen slachtoffers.

Bookmark the permalink.

Comments are closed.

  • Nu op Africa Web TV