Het eiland Nosy Mangabe

Beer Visser. Mijn bungalow kijkt uit op een getijdenrivier. Als die naar links stroomt, dan stijgt de waterspiegel en verdwijnen de restanten van een terras, dat herinnert aan betere tijden, onder water. Na een korte periode van besluiteloosheid stroomt het water weer terug naar rechts.

Dan weet ik dat ik even later het kantoor van de WCS via de kortste route kan bereiken. Want dan is ook het waterpeil in de zijriviertjes gezakt en kan ik door de droge rivierbedding oversteken. (Het bruggetje is na één van de laatste cyclonen ingestort.) Dat wil overigens helemaal niet zeggen dat ik met droge voeten aankom. Overal in Maroantsetra staan gedurende het regenseizoen de straten onder water. Zelden bezocht ik een land met zo’n slechte infrastructuur.
Vandaag vaar ik de getijderivier af: ik steek vijf kilometer de baai van Antongil over naar het eiland Nosy Mangabe. Dat is bedekt met regenwoud waar vijf lemurensoorten en een heleboel reptielen leven, waaronder de kleine brookesia en de bladstaartgekko, dé camouflagemeester van het land. Jean-Emile, mijn gids, en ik nemen het pad naar het hoogste punt van het eiland. Het slingert door dik regenwoud met armdikke lianen en eeuwenoude bomen. Jean-Emile zoekt de brookesia. Ondertussen springen overal boomkikkertjes weg. Sommige zijn zo klein als een vlieg en hebben knalgele ruggetjes die fel afsteken tegen de bruine bodem. “Niet aan likken!” waarschuwt Jean-Emile, alsof ik van plan was dat te doen. “Ze zijn giftig.” Andere zijn zo goed gecamoufleerd dat ze helemaal opgaan in hun omgeving: met poten die lijken op bladeren en de kleur van donker ebbenhout. Maar het getrainde oog van Jean-Emile weet alles te vinden. Hij wordt enthousiast als hij een heel klein vogeltje ziet. “Die heb ik lang niet gezien,” roept hij uit. “Die is erg zeldzaam. Staat op de rode lijst van de IUCN.” Achter de plek waar het vogeltje zit, staan negen uit steen gehouwen doodskisten. Eroverheen liggen doeken gedrapeerd. Jean-Emile vertelt dat het eiland tot in de jaren zestig als begraafplaats werd gebruikt door een familie uit Maroantsetra. Nu mag dat niet meer vanwege de beschermde status van het gebied, maar de kisten mogen hier blijven staan. De lichamen zijn tijdens het laatste doodsritueel uit de kisten genomen en verplaatst naar graven in Maroantsetra.
Hoog in de bomen klinkt een gegrom dat lijkt op het geknor van een varken. Het zijn zwart- witte lemuren. Ze likken zich als katten en hangen ondersteboven naar ons te kijken. Hun staarten zijn lang en vol. Ze zijn prachtig. Het gegrom lijkt soms ook uit de grond te komen. “Dat is een worm,” aldus Jean-Emile. Nu heb ik toch echt het idee dat hij me in de maling neemt. Een grommende worm? Jean-Emile houdt voet bij stuk. “Hij zit onder de grond en gromt als er gevaar dreigt.” Ik schiet in de lach, wat Jean-Emile een beetje ongemakkelijk laat meelachen. Ik heb hem beledigd. Als ik even later onderuit ga op het glibberige pad en vlak naast me opnieuw dat gegrom uit de grond komt, weet ik niet hoe snel ik moet opstaan. Ik vraag terloops hoe groot die worm is. Iets wat zo’n geluid maakt, moet toch een flinke afmeting hebben. Hij houdt zijn handen ongeveer dertig centimeter uit elkaar. Dat lijkt me aan de kleine kant voor zo’n zwaar geluid, maar ik laat het er maar bij.
Ondertussen is Jean-Emile op zoek naar de bladstaartgekko. Ik zoek met hem mee naar de befaamde gekko met het gezicht van een krokodil die één wordt met een boomstam. Maar natuurlijk is het Jean-Emile die hem vindt. Hij zit met zijn ruim 20 centimeter lange lijf vastgeplakt aan een boom en houdt ons nauwlettend in de gaten, vertrouwend op zijn camouflagepak.

Nu ik al deze dieren heb gezien, wil ik nog één plek bezoeken op dit eiland: het Plage des Hollandais. Dat dankt zijn naam aan het ‘postkantoor’ van de VOC. Hollandse zeevaarders beitelden hier in de 17 e eeuw boodschappen in de rotsen en lieten er brieven achter onder de stenen met informatie over routes, navigatie en andere wetenswaardigheden. De inscripties zijn niet moeilijk te vinden. Ze zijn overal. En hoe langer ik ernaar kijk, hoe fascinerender het wordt. Want het is overduidelijk oud-Nederlands wat op de rotsen is te lezen. Maar door de begroeiing, erosie en het verstrijken van de tijd is het slecht te ontcijferen. Wat ik in ieder geval ontdek (en het is gek, maar mijn hart gaat er echt sneller van kloppen) is een aantal data: 6 feb 1626 en, ergens anders, het jaartal 1606. Ik herken halve zinnen “Rott m 4 mai (?) vertrocken”, hier en daar wat woorden en enkele namen: Frederick HA en Folckert Janssen van Swolle. Het zijn korte boodschappen die met zorg uit de stenen zijn gehouwen, sommige versierd met vage ornamenten. Jean-Emile denkt dat het Nederlandse piraten waren die deze boodschappen hebben achtergelaten. Als ik hem vertel over de VOC, zegt hij het verhaal over de piraten leuker te vinden. Ik ben benieuwd welke versie hij aan de volgende bezoeker vertelt. En of de grommende worm alleen maar de versie is van dat verhaal dat hij het leukste vindt…

Bookmark the permalink.

Comments are closed

  • Nu op Africa Web TV