Het zeboe-lied op de Tsiribihina rivier

Beer Visser. Als ik in Antsirabe word aangesproken door Elodie, een jonge vrouwelijke gids die op zoek is naar een laatste deelnemer voor een vijfdaagse trip naar Tsingy de Bemaraha, houd ik een slag om de arm. Maar als ik haar ‘s avonds opnieuw tegenkom, nu in gezelschap van één van de twee andere soloreizigers, besluit ik dat ik deze tocht ga maken. En zo vertrek ik de volgende dag naar Miandrivazo waar we in een pirogue (boomkano) stappen om over de Tsiribihina rivier naar Belo-sur- Tsiribihina te peddelen. Daar gaan we verder in een 4×4 die ons naar de Tsingy zal brengen, een werelderfgoed van Unesco.

Vier mannen tussen de 16 en 43 jaar zijn de komende twee dagen onze ‘pirogue-mannen’. Als we aankomen in Miandrivazo stromen de kinderen uit het dorp op ons af. Kleverige handjes grijpen de mijne, en ik ben amper bekomen van hun stralende gezichtjes als ze vragen om snoep. Eerst nog beleefd, daarna steeds dwingender. Als de man in ons kleine reisgezelschap, de Iraanse Mehdi, biscuits koopt om uit te delen wordt hij bijna onder de voeten gelopen. Zelfs wanneer we in onze pirogues zitten en de rivier afvaren, rennen kinderen schreeuwend om bonbons langs de oever met ons mee. Na een paar kilometer maakt het kindergeschreeuw plaats voor de kabbelende rivier en de rustige slagen van de peddels in het water.
Het is hier prachtig. Knalrode, bijna fluorescerende vogeltjes vliegen langs de oever, groene vogels met gevorkte staarten scheren over het water op zoek naar insecten, en ik zie een visarend zijn vangst uit zijn klauwen eten terwijl hij laag over ons heen vliegt. En hoewel ook hier de omringende heuvels zwaar zijn ontbost, blijft het een indrukwekkende omgeving waar het nog altijd wemelt van het leven. Een groep bruine lemuren springt door de bomen, en in een rietkraag ligt een enorme krokodil. Op gepaste afstand bekijken we zijn ontzagwekkende gekartelde rug, maar als hij ineens een woeste beweging maakt en vervolgens het water in glijdt zonder een rimpeltje op het oppervlak achter te laten, peddelen onze mannen snel verder. Middenin de wasplaats van een dorpje meren we aan om eten in te slaan. Meisjes van nog geen zes jaar oud staan er behendig de was te doen, pannen worden schoongeboend met zand. Onze Iraanse vriend staat te popelen biscuitjes uit te delen aan de kinderen die op ons afstormen. “Salut vazaha, comment tu t’appelle? Donne moi un bonbon!”
Ik stel me voor hoe ontwrichtend het moet zijn, zo’n groep rijke vazaha die zo plomp midden in een wasplaats aanmeert. Op mijn vraag of we daar niet in de weg liggen, antwoordt Elodie dat de mensen dit niet erg vinden. Maar ik zie dat een klein meisje nu om twee kano’s moet waden waarna het te diep voor haar wordt, zodat ze gedwongen wordt de was in een plasje verderop te doen. Ik zie ook de afkeurende blik van een oudere vrouw die statig komt aanlopen met een grote teil wasgoed op haar hoofd en onverrichterzake weer met de vuile was verdwijnt. En ik zie mezelf in die kano zitten terwijl ik me insmeer tegen de zon, zonnebril en pet op, kussens in mijn rug en een paraplu boven mijn hoofd als de zon te heet wordt, die de wind pakt waardoor de pirogue-mannen nog harder moeten werken.
Elodie en de pirogue-mannen zijn de hele dag voor ons in touw. Ze peddelen niet alleen, tussendoor maken ze (in de pirogue!) onze driegangenlunch klaar, zetten ‘s avonds onze tenten op, bereiden ons diner, en staan ‘s ochtends vroeg voor dag en dauw weer op om ons ontbijt te verzorgen, het kamp af te breken en weer verder te varen. Onze vraag of we ze kunnen helpen, wordt steevast beantwoord met ‘nee’. Ook als we vragen of ze niet samen met ons willen eten in plaats van vijf meter verderop wimpelen ze dat beleefd af. Hoewel we steeds vertrouwelijker met elkaar worden, blijft er een onzichtbare muur tussen ons in staan.
Maar op de tweede dag lukt het ons de mannen over te halen om de laatste avond bij ons kampvuur te komen zitten. Ik vraag ze wat ze vreemd vinden aan ons, vazaha. Na enig aarzelen en wat rum brandt één van hen los: dat we zo fragiel zijn, dat vindt hij echt heel raar. We kunnen geen water uit de rivier drinken en worden overal ziek van. Dat zij ons eten met mineraalwater moeten wassen als zij het klaarmaken. En waarom betalen we veel geld om naar Madagaskar te komen en daar mensen voor ons te laten koken? We proberen uit te leggen waarom we hun mooie land bezoeken, maar eigenlijk klinkt elk antwoord potsierlijk als je je bedenkt hoe arm deze mensen zijn. 70% van de Malagassiërs leeft onder de armoedegrens. Het gemiddelde loon is nog geen € 40 per maand. En dan gaat het over mensen die een vast inkomen hebben. De meeste mensen verkopen hun gewassen of houtskool of zijn dagloners, en hebben minder dan een dollar per dag te besteden.
De rum brengt ons dan toch wat dichterbij elkaar. Want de mannen zingen het zeboe-lied. En zelfs de meest verlegen man van het stel klapt en zingt mee, net als wij, de vazaha. We stellen voor hen morgen naar de overkant te peddelen waar een 4×4 staat te klaarstaat om ons verder naar de Tsingy te brengen. Dan kunnen zij in de kussens achteroverleunen met een paraplu boven hun hoofd ter bescherming tegen de hitte. Maar dat we niet alleen fragiel maar ook buitengewoon onhandig zijn, blijkt al gauw als we de volgende ochtend even oefenen en binnen vijf minuten alle drie uit de kano kieperen. Terwijl de mannen ons naar de overkant varen, zingen we nog één keer gezamenlijk het zeboe-lied. Dichterbij elkaar zullen we niet komen, maar het is een klein stukje op weg.

Bookmark the permalink.

Comments are closed.

  • Nu op Africa Web TV