Het zingen van de indri

Beer Visser. Andasibe is één van de grootste toeristische bestemmingen van Madagaskar. De lokale bevolking is hier nauw bij betrokken. Iets wat ik altijd toejuich, zeker in combinatie met natuurbehoud. Als een bos en de dieren die er leven levend meer opbrengen dan dood, dan heeft natuurbehoud een veel grotere kans op succes.

In Andasibe leven verschillende emurensoorten, waaronder de beerachtige indri en de beeldschone diadeemsifaka. De bungalow waar ik verblijf heeft uitzicht op het woud van Anamalazaotra. Ik zie er bruine lemuren van de ene boom over het riviertje naar de andere springen. En elke ochtend hoor ik de indri’s zingen.
Er zijn nog niet veel bezoekers: het toeristenseizoen begint in augustus wanneer de walvissen aankomen rondom de kusten om te paren en hun jongen te baren. Maar vandaag is er een grote groep toeristen aangekomen. Ze schreeuwen naar de lemuren en gooien bananen in de hoop ze af te leiden voor een foto. Als even later de indri’s zingen, krijsen ze mee. Ik maak dat ik wegkom en breng een bezoek aan Parc Mitsinjo, een privéreservaat dat wordt gerund door een lokale NGO, ondersteund door de Finnish Association for Nature Conservation (FANC). Gids Christian neemt me mee het bos in, op zoek naar de indri’s. Die zijn al gauw gevonden: het bos is niet groot. Door ontbossing is het overgrote deel van de Malagassische wouden verdwenen. Wat nog rest, is een aantal nationale parken en reservaten. De dieren die hier leven, zijn toeristen gewend. Onderaan de bomen waarin we een groep indri’s vinden, staat een andere gids met een bos jonge blaadjes te zwaaien. “Dan komen ze naar beneden,” verklaart hij. “Zo kun je de beste foto’s maken.” Ik ben verbaasd over deze actie, die meer past bij een dierentuin dan bij wilde dieren. De gidsen laten me even achter bij de indri’s, alvast op zoek naar andere dieren. Ze kunnen me geen groter plezier doen: weinig is mooier dan wilde dieren in hun natuurlijke omgeving helemaal alleen van dichtbij te kunnen zien. Als ze weggaan, drukken ze me het bosje blaadjes in mijn handen. “Maar je mag de indri’s niet aanraken!” zeggen ze nog. Ik gooi het bosje weg en hurk neer om ze goed te kunnen bekijken. Eén van hen is zo dichtbij dat ik hem hoor kauwen op de bladeren die hij uit de bomen plukt. Dan klimt hij behendig naar beneden en springt in een paar grote sprongen het bos in. Hij komt zo dichtbij dat het me heel even de adem beneemt.
Na een paar dagen begin ik moeite te krijgen met deze plek. Dat ligt niet aan de dieren. De indri’s zingen hun betoverende lied, ‘s nachts lichten de oogjes van muislemuren op, en overdag hoor ik overal het grappige geknor van de bruine lemuren. Ik zie ook hier weer bladstaartgekko’s en brookesia’s, komeetmotten en zelfs een giraffe-necked weevil, een eigenaardig insect met een enorm lange nek. Maar ik kan geen stap buiten de deur zetten of er komen gidsen op me af om hun diensten aan te bieden. De meesten ontvangen een vast bedrag van het nationaal park als ze toeristen rondleiden. Maar waar ze vooral voor gaan, zijn de fooien. De mensen zijn arm en fooien zijn voor hen al gauw een vertienvoudiging van hun gemiddelde maandinkomen. Dus proberen ze zoveel mogelijk toeristen mee te krijgen en doen ze alles om het hen naar de zin te maken. Ze dringen voor op de plekken waar de indri’s zich bevinden, schudden aan de bomen en schreeuwen om hun aandacht. Ik moet er niet aan denken hoe het er hier aan toe gaat in het hoogseizoen. Of hoe het die arme dieren straks vergaat als die schreeuwerige toeristen van vanmorgen een bos blaadjes in hun handen krijgen gedrukt.

Later in de week rijd ik met Olli en Angela, medewerkers van de FANC, naar Antananarivo. Van hen hoor ik het droevige nieuws dat er vorige maand ten zuiden van Andasibe tien dode indri’s en één diadeemsifaka in beslag zijn genomen. Van de drie stropers is er één gearresteerd, nota bene de zwager van de burgemeester én vicepresident van een regionaal natuurbeschermingsplatform. Het had een grote impact op de gemeenschap van Andasibe die haar inkomstenbron in gevaar zag komen. Maar het toont ook aan hoe kwetsbaar de lemuren blijven. Want dit geval is geen uitzondering. Vooral in het noordoosten wordt nog steeds veel op ze gejaagd. Hun vlees wordt verkocht aan restaurants in Antananarivo en Diego Suarez, waar rijke klanten het een kick vinden om verboden vlees te eten. Er bestaan geheime codes die je kunt doorgeven als je het op je bord wilt hebben. Al sinds 1964 is de jacht op lemuren verboden. Maar als zelfs vicepresidenten van natuurbeschermingsorganisaties dit verbod in de wind slaan, dan kun je je afvragen wat dit waard is. Volgens Olli is de huidige situatie de beste oplossing, de dierentuinachtige taferelen ten spijt. “Reken er maar op dat er geen indri meer over zou zijn geweest als de gidsen die extra fooien niet kregen.”
Nog maar tweeduizend jaar geleden was dit land bedekt met oerwoud. In reisverslagen van nog geen honderdvijftig jaar oud wordt het zingen van de indri’s gemeld van Toamasina tot Antananarivo. Nu zingt hij alleen nog maar in een paar nationale parken en versnipperde stukjes bos. Ik word er treurig van. Blijf je lied maar zingen, mooie indri. Soms is onwetendheid een zegen.

Bookmark the permalink.

Comments are closed

  • Nu op Africa Web TV