Miljoenen voor Congolese bossen niet goed besteed

Issa Sikiti da Silva – IPS. Miljoenen aan internationale fondsen voor CO2-reductie en bestrijding van illegale houtkap in het het regenwoud van de Democratische Republiek Congo worden niet goed besteed, zeggen onderzoekers. Overheid en multinationals maken volgens hen de dienst uit, en de lokale bevolking heeft het nakijken.

Duizenden boomstammen op schepen in de haven Inongo bij het meer Mai-Ndombe, zijn klaar voor transport naar Kinshasa, de hoofdstad van de Democratische Republiek Congo (DRC).

Inongo is de provinciale hoofdstad van de provincie Mai-Ndombe, een gebied van 13 miljoen hectare op een afstand van 650 kilometer ten noordoosten van Kinshasa. Het hout op de schepen is illegaal gekapt in de bossen van Mai-Ndombe, een gebied van 10 miljoen hectare met bomen die soms wel 35 tot 45 meter hoog zijn.

Overzeese export
“We zien dit spektakel elke dag”, zegt milieuactivist Prosper Ngobila. “Tonnen hout gaan via de rivier Congo of over de weg naar de hoofdstad. Het hout wordt geëxporteerd of belandt op de zwarte markt.”

Mbo, de vrachtwagenchauffeur die het hout afleverde, bevestigt dat. “Deze voorraad en andere ladingen die al naar de hoofdstad zijn gebracht, zijn bedoeld voor overzeese export. Ik ben alleen een chauffeur, maar ik heb begrepen dat de eigenaar van deze handel heel machtig is.”

Duizenden boomstammen, afkomstig van bomen van 20 meter hoog, liggen momenteel in de bossen van Mai-Ndombe te wachten tot ze getransporteerd worden. Nog eens duizenden boomstammen liggen er al jaren weg te rotten, zegt Ngobila. “Dat is op zijn minst schokkend.”

Natuurlijke hulpbronnen
De bossen van Mai-Ndombe (zwart water in Lingala), zijn rijk aan zeldzame en kostbare boomsoorten, waaronder African blackwood, kambala en tola. Er leven ook 7.500 bonobo’s, beschermde primaten die van alle soorten het dichtst bij de mens staan.

De bossen wonen ook zo’n 73.000 inheemse Congolezen, vooral Batwa (pygmeeën), die samenleven met de 1,8 miljoen andere inwoners van de provincie. Meestal hebben deze inheemse inwoners geen officiële landrechten.

Uit recente studies is gebleken dat de provincie aanzienlijke reserves aan diamant, olie, nikkel, koper, steenkool en uranium heeft.

Het Wereldnatuurfonds en andere natuurbeschermers die de geleidelijke verwoesting van deze bossen voor houtproductie en landbouw onderzoeken, pleiten voor bescherming ervan. De DRC heeft het op een na grootste regenwoud ter wereld, dat 135 miljoen hectare telt. Het is een krachtig bolwerk tegen klimaatverandering.

In een poging de waardevolle bossen te redden, keurde de Wereldbank in 2016 de REDD+ programma’s van Congo goed, gericht op het terugdringen van de CO2-uitstoot en ontbossing. Met die programma’s is zo’n 90 miljoen dollar per jaar gemoeid.

Momenteel lopen er twintig projecten. De provincie Mai-Ndombe is daarmee een testcase geworden voor internationale klimaatregelingen. Volgens de programma’s zou de inheemse en plaatselijke bevolking die voor levensonderhoud afhankelijk is van de bossen, beloond moeten worden voor de inspanningen die ze levert om de natuur te beheren.

Mislukking
Marine Gauthier, een expert uit Parijs die recentelijk een rapport uitbracht over de abominabele staat van de bossen van Mai-Ndombe, zegt dat de ambitieuze programma’s op punten ernstig falen. In het rapport dat ze schreef voor het Rights and Resources Institute (RRI) staat dat de landrechten van de plaatselijke bevolking nauwelijks erkend worden. Ze adviseert om de belangrijkste voorwaarden grondig te bestuderen, alvorens nieuwe fondsen van REDD+ toe te kennen. Tot die tijd zou de financiering stopgezet moeten worden.

Gauthier, die achter de schermen voor elkaar probeert te krijgen dat de financiering stopt en zo geen schade meer kan toebrengen aan de bevolking in het bos, zegt dat “in de DRC en specifiek in Mai-Ndombe, het beheer van natuurlijke hulpbronnen altijd ten koste van de plaatselijke bevolking is gegaan.”

“Kapvergunningen voor de houtindustrie zijn uitgegeven voor traditioneel land zonder dat de plaatselijke bevolking daarover geconsulteerd is. Hun leefomgeving wordt verwoest zonder enige vorm van compensatie. Van hun land zijn beschermde gebieden gemaakt die ze niet meer mogen betreden om te jagen, verzamelen en hun traditionele rituelen te houden. Ze zijn afgesneden van hun bron van levensonderhoud en hun cultuur, opnieuw zonder hun toestemming.”

Landloze boeren
Volgens de Congolese Boswet uit 2014 hebben inheemse inwoners en de plaatselijke bevolking het wettelijke recht om tot 50.000 hectare bos in eigendom te hebben. Dertien gemeenschappen in de regio’s Mushie en Bolobo in de provincie Mai-Ndombe hebben inmiddels formeel het eigendomsrecht aangevraagd van in totaal 65.308 hectare land, staat in het rapport. Tot nu toe kreeg elke groep slechts 300 hectare land toegekend, in totaal 3.900 hectare.

Alfred Mputu, een 56-jarige bosbouwer die nog steeds wacht op de formele toekenning van een stuk grond, zegt dat hij het aangevraagde perceel al tientallen jaren bewerkt. “Maar zolang ik geen officiële papieren heb, is het niet van mij. Wat als de regering besluit het te verkopen aan een buitenlands bedrijf, of aan rijke of machtige mensen? Waar moet ik dan naartoe?”

De consequenties van dergelijke ontwikkelingen zouden zeer ernstig kunnen zijn voor de plaatselijke bevolking, zeggen experts. “Het land kan zonder hun medeweten verkocht worden door de overheid en dan gaat het waarschijnlijk naar een multinationaal bedrijf”, zegt Zachary Donnenfeld van het Institute for Security Studies (ISS).

“Zelfs als ze dan op hun land mogen blijven, zal de degradatie die de industrie veroorzaakt de kwaliteit van leven van de mensen in dat gebied ernstig aantasten. Een eerlijke benadering zou zijn dat de overheid een poging doet een oplossing te vinden voor de concurrerende claims van lokale groepen”, zegt Zachary. “Soms is er sprake van enige overlap, bijvoorbeeld als verschillende groepen aanspraak maken op het beste stuk grond. De overheid kan dan op grond van het historische gebruik bepalen wat fair is. Maar ik vrees dat dat niet gaat gebeuren.”

Armoede en conflicten
Gauthier wijst erop dat deze situaties armoede en conflicten tussen de lokale bevolking en de uitvoerders van projecten in de hand werken, en ook ruzies tussen plaatselijke groepen onderling. “Als groepen duidelijke landrechten krijgen en ook de verantwoordelijkheid voor het beheer van dat land, is dat de beste manier om te komen tot een duurzame bescherming van het bos. Dat is uit studies gebleken. Het werkt veel efficiënter dan gebieden door de overheid laten beschermen.”

REDD+ opent volgens Gauthier de deur “naar meer landroof door externe partijen die worden aangetrokken door de CO2-voordelen.” Als de landrechten niet veiliggesteld worden, “bestaat de kans dat de lokale bevolking moet vertrekken, zoals ook al is gebeurd in Zuid-Kivu en het nationale park Kahuzi Biega. Daar zijn zesduizend pygmeeën van hun land verjaagd.”

Vrouwen en kinderen
Waarnemers zeggen dat dit soort situaties negatief uitpakt voor de meest kwetsbaren – vrouwen en kinderen – die het al zwaar te verduren hebben in een land dat wordt verdeeld door dictatuur, economisch wanbeleid, corruptie en twintig jaar van oorlog.

Chouchouna Losale, vice coördinator van de Coalitie van Vrouwen voor het Milieu en de Duurzame Ontwikkeling in DRC, zegt dat in de provincie Mai-Ndombe een humanitaire crisis in gang is gezet, nadat savannes die aan vrouwen ter beschikking waren gesteld, ‘weggegeven’ werden aan een industrieel houtbedrijf. “We zien nu gevallen van ondervoeding in dat gebied”, zegt Losale.

De coalitie zet zich in de provincies Mai-Ndombe en Equateur in voor de erkenning van vrouwenrechten in het algemeen, en die van inheemse vrouwen in het bijzonder.

Bookmark the permalink.

Comments are closed.

  • Nu op Africa Web TV