Over het hoogplateau

Beer Visser. ‘s Ochtends vroeg hangt er nog een dikke mist rondom mijn bungalow die naar binnen stroomt als ik de houten luiken open. Maar een uur later is de lucht strakblauw en schijnt hij genadeloos over het hoogplateau. Ik ben in Antoetra, een Zafimaniry-dorp dat onderdeel uitmaakt van een Unesco werelderfgoed vanwege hun houten huizen en het prachtige houtsnijwerk waarmee ze die versieren. De komende dagen krijg ik een inkijkje in het dagelijkse leven in Centraal Madagaskar.

Gids Johnny neemt met mee naar het dorp, waar de dorpsoudste me uitnodigt in zijn huis. Om in het woongedeelte te komen, moet ik twee smalle houten trapjes op. De begane grond wordt gebruikt door het vee, de eerste verdieping is een opslagplaats. Op de tweede woont de dorpsoudste met zijn gezin op een oppervlak van zo’n 25 m2. Zijn vrouw en zes kleinkinderen wachten me glunderend op als ik in het trapgat verschijn. De kippen, die op dezelfde etage wonen, zijn vanwege mijn bezoek in een vertrek hiernaast gezet. Het kookgedeelte neemt het grootste deel van de ruimte in beslag: een met stenen afgebakende vuurplaats waar een houtvuurtje brandt dat het hele dak aan de binnenkant heeft zwartgeblakerd. Erboven hangt een constructie waarop stukken hout liggen te drogen. Er hangt een doordringende houtskoollucht waar heel Madagaskar – heel Afrika – in mildere vorm naar ruikt. De kinderen kunnen er niet over uit dat er een vazaha in hun huis zit. Ze willen vooral dat ik foto’s van ze maak, waarna ze om me heen drommen om die te bekijken. Ondertussen rent een verontwaardigd kakelende kip langs me heen naar het slaapvertrek waar nog twee kleinkinderen met grote ogen naar me zitten te kijken. Als ik even later afscheid neem, daalt de hele familie de twee trappen af om me uit te zwaaien. “Veloma, vazaha!”

De volgende dag rijd ik met chauffeur Hery, die me de komende dagen door Centraal Madagaskar rijdt, zuidwaarts verder. We zijn in Betsileo-land. Er leven negentien verschillende stammen in Madagaskar, waarvan het grootste deel bestaat uit Merina (27%), gevolgd door de Betsimasaraka (15%), en de Betsileo (12%). De Zafimaniry hebben zich begin 19 e eeuw van de Betsileo afgescheiden. Het hoogplateau wordt gedomineerd door de Betsileo. We meanderen langs valleien met rijstvelden en andere gewassen, elk lapje grond trapsgewijs geprepareerd voor de akkerbouw. Ontbossing blijft een pijnlijke doorn in mijn oog, maar door de groene akkers en de smalle, hoge huizen die hier worden gebouwd heeft het desolate landschap ook iets lieflijks. De typische architectuur geeft de dorpjes een bevreemdende Anton Pieck-achtige aanblik. Voor de huizen ligt de rijst te drogen, balkonnetjes hangen vol met met net geoogste maïskolven. Houten wagens met kwijlende zeboes ervoor zijn volgeladen met pindaplanten, rijststengels en houtskool. Mannen met kleurige sjaals om hun schouders gedrapeerd houden ze in bedwang. Het is hier ontegenzeggelijk anders dan in andere delen van Madagaskar. Ik begin te begrijpen waarom sommige Malagassiers spreken over ‘Afrikanen’ maar het dan niet over zichzelf hebben. Dit land lijkt hier weinig gemeen te hebben met Afrika. Madagaskar is, zoals Peter Tyson al beschrijft in zijn boek The Eighth Continent, in al zijn diversiteit een continent op zichzelf.

Vrouwen met raffia dophoedjes waaronder twee dikke vlechten steken zitten langs de rand van de weg pinda’s of stukken aanmaakhout te verkopen. Achter hen indrukwekkende valleien en enorme luchten alsof we over de toppen van de wereld rijden. Kinderen beulen zich af door spoorwegkarretjes met zakken rijst naar boven te duwen, en er vervolgens in volle vaart mee naar beneden te sjezen. Anderen hakken stenen in kleinere stukken voor het maken van bouwmateriaal. Naast hen verschillende bergen stenen, keurig gerangschikt naar grootte. Tegen de hellingen ligt kleurrijke was te drogen. Overal wordt de oogst van de dag aangeboden: bananen, sinaasappels, tomaten, mais, maniok en – natuurlijk – rijst.

We rijden niet hard, we hebben geen haast. Maar toch halen we de taxi-brousses in, die volgepropt zitten met passagiers en waar er op de een of andere verbijsterende manier altijd nog één bij kan. De bagage op het dak is soms net zo hoog als de auto zelf. Nog levende kippen zijn achteloos als een zak aardappelen bijeen gebonden en bungelen in doodsangst aan de reling van het imperiaal. Af en toe stoppen we om van het uitzicht te genieten of een foto te maken. Dan besef ik pas hoe vreedzaam het hier is. Ondanks dat dit de beste nationale weg is van het land – de RN7 – rijdt er weinig ander verkeer. Ik hoor niets dan de wind, wat kabbelend water en het gezoem van insecten. In de verte zwaaien wat boeren en klinkt de bekende groet: “Salut, vazaha!”

We slaan de RN7 af richting nationaal park Ranomafana. En dat we in beschermd gebied komen is al snel te merken. Het bos komt weer tevoorschijn. Tegen de tijd dat we het dorp Ranomafana bereiken rijden we door een weelderig oerwoud waardoor een rivier in kleine en grote watervallen naar beneden stroomt. In dit woud leeft onder andere de gouden bamboelemuur, die pas in 1986 is ontdekt. Omdat die alleen in dit gebied voorkomt, werd het tot nationaal park uitgeroepen zodat zijn habitat niet verder wordt aangetast. Dat komt ook de mensen die hier wonen ten goede. Veel van hen zijn werkzaam in de toeristische sector die dankzij het nationale park goede zaken doet. Daar ga ik morgen ook een bijdrage aan leveren. Want ik wil natuurlijk die gouden bamboelemuur zien.

Bookmark the permalink.

Comments are closed.

  • Nu op Africa Web TV