Gegevens

Vlag IvoorkustGegevens van Ivoorkust

Geschiedenis Op 7 augustus 1960 verkreeg Ivoorkust de onafhankelijkheid van Frankrijk. President werd Felix Houphouët-Boigny, leider van de Parti Démocratique de Côte d’Ivoire/Rassemblement Démocratique Africain (PDCI-RDA). Houphouët-Boigny, die goede contacten onderhield met het voormalige moederland Frankrijk, zou tot zijn dood in december 1993 de functie van president blijven bekleden. Zijn partij PDCI-RDA verwierf eenzelfde dominante positie en bleef tot 1990 de enig toegestane partij.

De sociaal-economische ontwikkeling na de onafhankelijkheid was, mede door de grote Franse invloed, aanzienlijk. Jarenlang ging het Ivoorkust voor de wind. Het land had (na Zuid-Afrika en Nigeria) de derde economie van Sub-Sahara Afrika. De economische voorspoed van vooral de kuststrook Ivoorkust werkte als een magneet op de bevolking van het noorden van het land en op de omringende landen, met name op de Sahelbevolking van Burkina Faso en Mali. Deze overwegend islamitische migranten vormden gaandeweg een grotere druk op de bestaansbronnen van de kuststrook, waar de bevolking merendeels christelijk was. De elite van deze zuidelijk Ivoriaanse bevolking had traditioneel de politieke macht in het land in handen. De problematiek van migratie en etnisch-culturele-religieuze tegenstellingen werd door de jaren heen steeds belangrijker en kwam vooral aan de oppervlakte toen aan de gunstige economische ontwikkeling van Ivoorkust een einde kwam.

Dat was in de loop van de jaren ’80. De ommekeer in de voorspoed van het land werd onder meer veroorzaakt door een daling van de wereldmarktprijzen van de belangrijkste (agrarische) exportproducten (in de eerste plaats cacao). De economische neergang en de schuldensituatie van het land leidden niet alleen tot belastingmaatregelen en bezuinigingen in de publieke sector, maar hadden ook gevolgen voor het politieke bestel. Kritiek groeide op de (onaantastbare) positie van de president en de afwezigheid van een serieuze oppositie. In reactie hierop werd in 1990 een meerpartijenstelsel ingevoerd.

De laatste jaren van Houphouët-Boigny’s regeerperiode was er sprake van een gespannen politieke situatie (studentenonrust en muiterij in het leger). Hoewel de functie van president na Houphouët-Boigny’s overlijden in 1993 aanvankelijk werd opgeëist door de zittende minister-president Alessane Dramane Ouattara, werd Houphouët-Boigny constitutioneel opgevolgd door de voorzitter van het parlement, Henri Konan Bedié. Eenmaal president benoemde Bédié Daniel Kablan Duncan tot minister-president. Het economisch aanpassingsprogramma werd voortgezet en begon na de devaluatie van de FrancCFA in januari 1994 vruchten af te werpen.

In 1995 werd Bedié herkozen tot President. Zijn rivaal Ouattara had zich niet kandidaat gesteld. Tijdens Bédié’s bestuur werd in de grondwet geregeld dat ingezetenen van wie één of beide ouders niet de Ivoriaanse nationaliteit hebben, Ivorianen die langere tijd in het buitenland hebben verbleven, en Ivorianen die van hun nationaliteit afstand hebben gedaan, zich niet kandidaat kunnen stellen voor het presidentschap. Aan de hand van deze regeling stelden Bédié c.s. dat Ouattara niet de Ivoriaanse, maar de Burkinese nationaliteit had en dus überhaupt niet in aanmerking kon komen voor het hoogste ambt. Deze nationaliteitskwestie was een uiting van de verscherpte binnenlandse tegenstellingen en vormde de inleiding op een periode van ernstige politieke instabiliteit.

Op 24 december 1999 grepen militairen, voor het eerst sinds de onafhankelijkheid, naar de macht. Dit vanwege financieel wanbeleid, corruptie en de gespannen politieke situatie rond de campagne voor de presidentiële verkiezingen (i.e. ivoirité; uitsluiting op grond van de nationaliteit en identiteit van de voornaamste oppositiekandidaat). Leider van de met gering bloedvergieten verlopen staatsgreep was brigade-generaal Robert Guéï, voormalig bevelhebber van de strijdkrachten.

overgenomen van Wikipedia.org

Bédié werd na een militaire machtsovername in 1999 vervangen door Robert Guéï, die voorzitter van het Nationaal bevrijdingsfront werd. Na tumultueus verlopen verkiezingen werd Laurent Gbagbo op 26 oktober 2000 president.

Het bleef daarna echter onrustig in het land, met een mislukte coup in 2001 en muiterij van het leger in 2002. Er volgde een burgeroorlog tussen de regeringstroepen uit het christelijke zuiden en diverse rebellen-groepen uit het islamitische noorden. Veel moslims, en meer in het algemeen, mensen uit het noorden, voelen zich namelijk gediscrimineerd door de regering van Gbagbo.

In 2003 werd bij vredesonderhandelingen overeengekomen een regering van nationale eenheid te vormen. VN-troepen, ondersteund door Franse troepen, werden ingezet om de vrede te bewaken. Na een korte periode van relatieve rust werd president Gbagbo er herhaaldelijk van beschuldigd de vrede in gevaar te brengen. De betrokken partijen hielden zich steeds minder aan het akkoord. De rebellen erkenden zijn gezag niet meer toen Gbagbo in mei 2004 drie ministers van de oppositie ontsloeg. Na het verlopen van de ontwapenings-deadline in oktober 2004 namen de regeringstroepen de wapens weer op tegen de rebellen.

De situatie escaleerde toen bij bombardementen op stellingen van de rebellen negen Franse soldaten omkwamen. Het Franse leger vernietigde vervolgens ter vergelding de gehele Ivoriaanse luchtmacht. Dat leidde tot anti-Franse demonstraties en plunderingen in de stad Abidjan. Duizenden Europeanen verlieten het land.

Op 6 september 2006 trad de regering tijdelijk af na demonstraties en rellen uit protest tegen de gifdump van het schip de Probo Koala. Korte tijd later keerde de regering in vrijwel ongewijzigde samenstelling terug.

De presidentsverkiezingen die normaal hadden moeten plaatsvinden in 2005 werden pas in november 2010 gehouden. Begin december 2010 gaf de Ivoriaanse Verkiezingscommissie voorlopige resultaten vrij waaruit bleek dat de zittende president Laurent Gbagbo de presidentsverkiezingen van oud-premier Alassane Ouattara dreigde te verliezen. De regerende FPI vocht de resultaten aan bij het Grondwettelijk Hof op beschuldiging van massale fraude in het door de rebellen van de Forces Nouvelles de Côte d’Ivoire (FNCI) beheerste Noorden van het land. Een feit dat door internationale waarnemers werd tegengesproken. De bekendmaking van de verkiezingsresultaten leidde tot heftige spanningen en gewelddadige incidenten. Volgens de kiescommissie had Ouattara de tweede ronde van de presidentsverkiezingen gewonnen, maar het Grondwettelijk Hof -dat bestond uit aanhangers van Gbagbo- maakte die uitspraak ongedaan en riep Gbagbo met 51 % van de stemmen tot winnaar uit, na het onwettig verklaren van de resultaten uit 7 noordelijke departementen. Na de officiële eedaflegging van Gbago, organiseerde Ouattara – die door de meeste landen en de Verenigde Naties als winnaar werd erkend- een eigen eedaflegging. Deze gang van zaken voedde de vrees voor een heropflakkering van de burgeroorlog. De Afrikaanse Unie zond Thabo Mbeki, voormalig president van Zuid-Afrika, als bemiddelaar in het conflict. De Veiligheidsraad van de VN nam een resolutie aan die Alassane Ouattara als winnaar van de verkiezingen erkende, gebaseerd op een beslissing van ECOWAS (Economic Community of West Africa States). ECOWAS schorste Ivoorkust uit al haar besluitorganen terwijl ook het Ivoors lidmaatschap van de Afrikaanse Unie werd opgeschort. De legerleider van Ivoorkust, Philippe Mangou, heeft zijn steun uitgesproken aan president Laurent Gbagbo.

In 2006 reden wij van Guinee Conakry naar Ivoorkust. Ook toen konden wij het land niet in. De onlusten toen en nu hebben de zelfde oorzaak.

 
 
 

Algemene gegevens

Oppervlakte 322.463 km2 (8 x Nederland)
Hoofdstad Yamoussoukro (economische hoofdstad en regeringszetel: Abidjan)
Inwonertal 16,6 miljoen (2003, EIU schatting)
Bevolkingsdichtheid 51,4 inwoners per km2
Godsdienst Christelijk (30%), islamitisch (30%), Inheems en overige (40%)
Taal Frans (daarnaast Baoulé, Dioula etc.)
Nationale feestdag(en) 7 augustus (onafhankelijkheidsdag)
Klimatologische gesteldheid Tropisch

Staatkundige gegevens

Staatshoofd President Laurent Gbagbo
Premier Seydou Elimane Diarra (gekozen in Marcoussis)
Minister van Buitenlandse Zaken Mamadou Bamba (PDCI)
Minister van Economische Zaken en Financiën Antoine Bouabré Bojoun (FPI)
Staatsvorm Republiek
  Nationale Vergadering, 225 zetels, gekozen voor 5 jaar

De President wordt rechtstreeks gekozen voor een termijn van 5 jaar en is eenmaal herkiesbaar. De President benoemt de Eerste Minister en (op voordracht van laatstgenoemde) vervolgens de overige leden van het kabinet. Er is sprake van een meerpartijendemocratie. De wetgevende macht is in handen van het parlement, dat voor vijf jaar direct wordt gekozen door de bevolking. De Nationale Vergadering (Assemblée nationale) telt 225 leden. In geval van overlijden van de president wordt hij door de voorzitter van het parlement opgevolgd. De laatste verkiezingen waren in 2000, de eerstvolgende zijn voorzien voor oktober 2005.

Demografische gegevens

Natuurlijke bevolkingsgroei 3,3% (1975-2002), 1,5% (2002-2015)
Geboorten (per 1000 inwoners) 39,64 (2004, per 1000 inwoners)
Overlijdens (per 1000 inwoners) 18,48 (2004, per 1000 inwoners)
Levensverwachting 41,5 (v) – 40,9 (m) (2002)

Economische gegevens

BBP US$ 14,2 miljard (2003, EIU schatting)
Economische groei -3% (2003, schatting EIU), -1,8% (2002), -0,3% (2001)
BBP per capita US$ 707 (2002)
Inflatie 3,3% (2003, schatting EIU), 3,1% (2002), 4,3% (2001)
Beroepsbevolking per sector Landbouw en visserij (60%), industrie (10%), handel en diensten (30%) (1990)
Werkloosheid 13% in stedelijke gebieden (1998)
Uitvoer US$ 5,8 miljard miljard (2003)
– belangrijke producten Cacao, petroleum, koffie, timmerhout
– belangrijkste partners Nederland, Frankrijk, Verenigde Staten, Duitsland, Spanje
Invoer US$ 3,2 miljard (2003)
– belangrijke producten Voedselprodukten, kapitaalgoederen, brandstof en smeerolie
– belangrijkste partners Frankrijk, Nigeria, China, Italië, Verenigde Staten
Valuta CFA franc (CFAfr)
Buitenlandse schuld US$ 11,9 miljard (2003)
Debt-service ratio 13,1%  (2003)
Saldo handelsbalans US$ 2,6 miljard (overschot, 2003)
Lopende rekening betalingsbalans US$ 508 miljoen (overschot, 2003)

Economische situatie

Ivoorkust is de grootste cacaoproducent ter wereld en heeft zich daarnaast toegelegd op de productie van andere exportgewassen. Het grote aandeel van de landbouw in de economie van het land maakt Ivoorkust erg kwetsbaar voor externe factoren zoals de wereldmarkt-prijzen en het weer. De sterke regionale economische positie laat onverlet dat Ivoorkust één van de armste landen ter wereld is. Het land neemt op de Human Development Index van 2003 (in totaal 175 landen) plaats 161 in

De economische situatie van het land was na de devaluatie van de FrancCFA in 1994 aangetrokken. Van groei was m.n. sprake in de industriële sector. Anderzijds verbeterde ook de situatie in de agrarische sector vanwege de verbetering van de concurrentiepositie van exportproducten. De groei van het BBP lag in de afgelopen jaren tussen de 4% à 5% terwijl de inflatie in de jaren na 1994 gedaald is van ca. 25% naar een cijfer van  onder de 3 %. In het jaar 2001 nam het BBP met 2,6 % af.

Vanwege een gebrek aan politieke stabiliteit en een realistisch economisch plan, is het IMF niet bereid om het drie jaar durende Poverty Reduction and Growth Facility (PRGF) programma te hervatten. Het PRGF-programma is momenteel opgeschort, maar had moeten lopen van april 2002 tot en met april 2005. Deze opschorting is voor andere donoren de aanleiding om geen verplichtingen aan te gaan met Ivoorkust, behalve in het geval van noodhulp. De afgelopen jaren heeft Ivoorkust haar best gedaan om aan de rentebetalingen aan de Wereldbank en het IMF te voldoen. In juni dit jaar voldeed Ivoorkust niet aan een aantal geplande betalingen, waarop de Wereldbank op 15 juni haar uitbetalingen aan het land heeft gestaakt.

De gebeurtenissen in september 2002 maakten een einde aan het voorzichtige

economische herstel en herwonnen vertrouwen van donoren. De prijzen van cacao

stegen in het seizoen 2002/2003 naar recordhoogte, wat een welkome bron van

inkomsten vormde voor de regering. De cacaooogst voor 2004/2005 dreigt lager uit te vallen vanwege een regentekort van 25% sinds begin juli. De cacao-gebieden worden nauwelijks aangetast door de conflicten, afgezien van het westerlijke gedeelte rond de stad Man. De opbrengsten van de afgelopen twee jaar zijn onverminderd hoog.

De belangrijke functie van Ivoorkust als doorvoerland naar het achterland (Mali en Burkina Faso) is lange tijd verstoord geweest, maar sinds de heropening van de spoorwegverbinding met Burkina Faso in 2003 hervat de handel zich langs deze route voorzichtig.

De economische vooruitzichten voor 2004 zijn slecht, met een verwachte negatieve groei en een oplopende binnen- en buitenlandse schuld (eind 2003 bedroeg de totale buitenlandse schuld 12 miljard euro, oftewel 140 procent van het Bruto Binnenlands Product). Buitenlandse investeringen in Ivoorkust blijven uit, vanwege de onzekere situatie.

Ontwikkelingsrelevante indicatoren

Groeisectoren Gasproductie, textiel en chemie
Energiesituatie Ivoorkust produceert en exporteert elektriciteit die wordt opgewekt met waterkracht en gasgestookte centrales. Daarnaast wordt getracht om minder afhankelijk te worden van olie-invoer door de ontwikkeling van offshore olievelden.
Human development index 0,399 (2002, 163e plaats van in totaal 177)
Human poverty index 45 (79e plaats van in totaal 95)
Gender-related development index 0,379 (132e plaats van in totaal 144)
% inwoners dat leeftijd van 40 niet haalt 51,7% (2000-05)
% volwassenen met HIV/Aids 7% (2003)
Alfabetisering volwassenen > 15 jaar 38,4% (v) – 60,3% (m) (2001)
% mensen met toegang tot veilig drinkwater 81% (2000)
% mensen met toegang tot essentiële medicijnen 80-94% (1999)
% kinderen tot 5 jaar met ondergewicht 21% (1995-2002)
% volwassenen met HIV/Aids 9,7% (2001)

Binnenlandse politiek

Guéï: herziening grond- en kieswet gevolgd door verkiezingen

Het door Guéï c.s. in 1999 opgerichte Comité National du Salut Public (CNSP) was een overgangsregime met als doel de transitie naar een democratisch gekozen regering te (bege)leiden en orde op zaken te stellen. Het CNSP vormde enkele transitiekabinetten, waarin aanvankelijk – naast juntaleden – civiele ministers waren opgenomen van alle partijen die deel uitmaakten van het door de junta ontbonden parlement. Een herziening van de grond- en kieswet werd door een volksraadpleging in juli 2000 goedgekeurd. Hierin werden o.a. de vereisten voor de verkiesbaarheid tot President verder aangescherpt.

Onder verantwoordelijkheid van de militaire machthebbers werd een reeks verkiezingen georganiseerd. Ouattara werd door een besluit van het Cour Constitutionnelle van deelname aan de verkiezingen uitgesloten, evenals alle kandidaten van de PDCI-RDA. Hierop boycotte Ouattara’s partij, de RDR, de verkiezingen. De presidentiële verkiezingen vonden op 22 oktober 2000 in een gespannen sfeer plaats. De participatie was laag, er mochten slechts 4 kandidaten meedoen. De verkiezingsuitkomst wees uit dat Laurent Gbagbo, voorzitter van het FPI, de nieuwe president van Ivoorkust zou worden (zij het met minder dan 20 procent van de stemmen van het totaal aantal kiesgerechtigden). Bij de parlementsverkiezingen in november behaalde de FPI het relatief grootste aantal parlementszetels (ook nu op basis van niet meer dan rond 20 procent van het totaal aantal kiesgerechtigden). Beide verkiezingen gingen gepaard met rellen waarbij meer dan 200 mensen het leven lieten. Geweld was veelal gericht tegen noorderlingen en RDR aanhangers. Velen werden willekeurig gearresteerd en vastgehouden.

Forum Nationale Verzoening lijkt inleiding politieke reconciliatie

De regering Gbagbo stelde zich als voornaamste taak de refondation nationale (d.w.z. wederopbouw van Ivoorkust echter op andere grondvesten dan die van wijlen Houphouët-Boigny) en verder het bewerkstelligen van nationale verzoening tussen de verschillende bevolkingsgroepen, herstel van de stabiliteit door eerbiediging van de mensenrechten en de sanering van de economie.

In augustus 2002 werd een Regering van Nationale Eenheid gevormd waarin alle vier de belangrijke partijen deelnamen: de FPI van Gbagbo, de PDCI-RDA  (partij van de oud Presidenten Houphouet-Boigny en Bédié), de UPDCI (Union pour la Démocratie et la paix en Côte D’Ivoire) van voormalig militair leider Robert Guéï en de RDR, geleid door Ouattara. Onmiddellijk hierna verliet het UPDCI weer de regering uit onvrede met het aantal gekregen ministersposten.

Muiterij legereenheden stort het land onverwacht in burgeroorlog

Op 19 september 2002 leidde een muiterij van legereenheden in Abidjan, Bouaké en het noordelijke Korhogo tot grootschalige gewelddadigheden. Generaal Guéï en zijn vrouw en de minister van Binnenlandse Zaken Boga Doudou werden op deze dag vermoord. In Abidjan werd de rebellie neergeslagen, maar in het noorden breidde de rebellie zich zo snel uit dat de opstandelingen, de latere Mouvement Patriotique de Côte d’Ivoire (MPCI) al gauw de noordelijke helft van Ivoorkust controleerden. Onsuccesvolle militaire acties van zowel de MPCI als van overheidstroepen leidden tot een staakt-het-vuren op 19 oktober 2002.

Het akkoord van Linas-Marcoussis

Enkele weken vruchteloos onderhandelen onder leiding van ECOWAS leken door de partijen gebruikt te worden als een rustpauze voor hernieuwde vijandigheden. Zich bewust van het doodlopende onderhandelingstraject nodigde Frankrijk alle partijen uit voor vredesonderhandelingen in Parijs. Dit resulteerde op 24 januari 2003 in het akkoord van Linas-Marcoussis. Het akkoord omvatte de benoeming van een nieuwe onafhankelijke premier, Seydou Elimane Diarra en de overdracht van een groot gedeelte van Gbagbo’s presidentiele bevoegdheden aan de nieuwe premier; de vorming van een Regering van Nationale Verzoening tot de verkiezingen van oktober 2005, met ministersposten voor alle partijen inclusief de rebellen groepen MPCI (7 posten), MPIGO (1 post) en MJP (1 post); ontwapening van de rebellen en hervorming van het leger; amnestie voor de rebellen; en instelling van een internationaal “Comité de Suivi” voor toezicht op de uitvoering van het Linas-Marcoussis akkoord. Ook werd in Parijs afgesproken dat de nieuwe regering maatregelen zou nemen op het gebied van de nationaliteitswetgeving en wetgeving inzake grondbezit, de positie van buitenlanders, versterking van het kiessysteem, de onafhankelijke rol van de media en verbetering van de mensenrechten.

Implementatie van het akkoord verloopt moeizaam

De vertegenwoordigers van de partijen MPCI, MPIGO en de MJP namen in januari 2003 weer zitting in de regering. De verhouding tussen het FPI (Front Populaire Ivorien) en de PDCI (Parti Démocratique de Côte d’Ivoire) – de belangrijkste partijen binnen de Regering van Nationale Verzoening – is gaandeweg verslechterd. Directe aanleiding was een hoog oplopende discussie over de benoeming van hoge ambtenaren en directeuren van (semi-) overheidsinstellingen. De strijd spitste zich toe op (lucratieve) posities bij het havenbedrijf van Abidjan.

In maart 2003 werd Seydou Diarra beëdigd als minister-president en droeg president Gbagbo voor de duur van zes maanden een aantal bevoegdheden aan hem over. De drie rebellengroepen MPCI, MPIGO en MJP hebben zich in februari 2003 verenigd onder de naam Forces nouvelles.

Op 4 juli 2003 verklaarden de strijdende partijen (het regeringsleger en de Forces

nouvelles) een einde aan de oorlog. Alle partijen bevestigden in deze verklaring hun erkenning van president Gbagbo. Op politiek gebied werd er tot september 2003 enige vooruitgang geboekt bij de implementatie van het akkoord van Linas-Marcoussis. In september 2003 stapten vertegenwoordigers van de Forces nouvelles uit de regering. Kritiekpunt was onder andere de indruk dat president Gbagbo de uitvoering van de Linas-Marcoussis bepalingen aan het traineren was. Hoewel de Forces nouvelles in januari 2004, na zware internationale druk op zowel de voormalige rebellen als op president Gbagbo, weer aan de regering deelnamen, stapte begin maart 2004 de PDCI uit de regering. De directe aanleiding is het conflict over het bestuur van de haven van Abidjan.

Toen een oppositiedemonstratie op 25 maart 2004 (“Zwarte Donderdag”) werd verhinderd en door de ordediensten een bloedbad werd aangericht, schortten alle oppositiepartijen hun deelname aan de Regering van Nationale Verzoening op. Het dodental van de gebeurtenissen is onduidelijk: volgens de politie zijn er 37 doden gevallen, en volgens de oppositiepartijen zijn er tussen de drie- en vijfhonderd dodelijke slachtoffers te betreuren. Nog in de avond van 25 maart verklaarden RDR en de Forces nouvelles dat zij, in navolging van de PDCI, hun regeringsdeelname opschortten.

Nadat de president in mei drie ministers op staande voet ontsloeg, verhardde de situatie. Zowel premier Diarra als de oppositie-partijen weigerden het ontslag te erkennen. De relatie tussen de oppositie en de FPI, de partij van Gbagbo, is sindsdien gespannen en de dialoog beperkt, waarbij de Forces nouvelles weigeren te onderhandelen met Gbagbo. De politieke situatie werd nog complexer nadat er onenigheid ontstond over het leiderschap binnen de Forces nouvelles, wat resulteerde in onderlinge gevechten. Deze impasse dwong de internationale gemeenschap tot actie om het vredesproces los te trekken.

Het akkoord van Accra III

Op 30 juli 2004 begon een tweedaagse Top in Accra, Ghana, om het haperende vredesproces op basis van het akkoord van Marcoussis nieuw leven in te blazen. Bij deze top waren de Secretaris Generaal van de VN, Kofi Annan, en twaalf Afrikaanse staatshoofden aanwezig. Het resultaat van de top -genaamd Accra III- heeft geleid tot een nieuw akkoord tussen de Ivoriaanse regering en de  Forces nouvelles. Zo is afgesproken dat de regering van Nationale Verzoening binnen een week een kabinetsvergadering zou houden; de drie oppositionele ministers, die in maart 2004 waren ontslagen, dienden terug te keren in hun oude positie; een zodanige aanpassing van artikel 35 uit de grondwet dat alle potentiële kandidaten t.z.t. zouden kunnen deelnemen aan de presidentsverkiezingen in oktober 2005; en een overdracht van bevoegdheden aan de premier. Deze maatregelen dienden binnen een maand te worden geïmplementeerd. In ruil hiervoor zullen vanaf 15 oktober de rebellen zich gaan ontwapenen, mits de pro-regerings milities hetzelfde doen. Het akkoord roept verder op tot het respecteren van de mensenrechten.

Na het Accra III-akkoord zijn de drie ontslagen ministers op 5 augustus 2004 weer in hun ambt teruggekeerd, een kabinetsvergadering, de eerste sinds januari 2004, volgde op 9 augustus.

Internationale vredesmacht

Een missie van 1400 ECOWAS militairen (operatie MICECI; Mission de CEDEAO en Côte d’Ivoire) en 4000 Franse militairen (operatie Licorne) zien toe op naleving van het staakt het vuren en gaan assisteren bij de ontwapening van de strijdkrachten en rebellen. In het westen werken ECOWAS, de Fransen en het regeringsleger samen in het handhaven van een wapenvrije Zone of Confidence. De MICECI/Licorne operatie zal ter plaatste blijven tot  aan de verkiezingen van 2005.

Op 13 mei 2003 nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties resolutie 1479 (2003) aan, waarin onder andere werd voorzien in de instelling van de Mission des Nation Unies en Côte d’Ivoire (MINUCI). MINUCI diende ter assistentie aan de troepen van Frankrijk en ECOWAS, met name voor het tijdschema van ontwapening, demobilisatie en reïntegratie. Het mandaat liep af in februari 2004. Op 27 februari 2004 nam de VR unaniem resolutie 1528 aan ter oprichting van een volwaardige VN-vredesoperatie in Ivoorkust, de United Nations Operation in Côte d’Ivoire (ONUCI). Op 4 april 2004 werd de VN-vredesmacht ONUCI in Abidjan geïnstalleerd. ONUCI bestaat uit 6.240 militairen, en heeft onder andere als taken het bewaken van het staakt-het-vuren, uitvoering en assistentie bij het DDR-programma en ondersteuning op het terrein van de mensenrechten. De Franse Licorne-troepen vallen nadrukkelijk niet onder de VN-vredesmacht.

Sociale situatie

De sociale situatie van Ivoorkust was lange tijd minder ongunstig dan in de meeste andere West-Afrikaanse landen, maar is met name sinds de decembercoup van 1999 verslechterd. De sociale situatie kreeg een negatieve wending door de structurele aanpassing die in de jaren ’80 werd doorgevoerd. De gevolgen daarvan troffen vooral de stedelijke bevolking die voor haar inkomen afhankelijk was van de publieke sector. Onderwijs kwam eveneens onder druk te staan. Daarbij was de rol van studenten groot, toen zij zich verzetten tegen de wijziging van de regel dat zij automatisch na het afstuderen binnen de publieke sector een betrekking kregen. Naast de problemen in het hoger onderwijs is het basisonderwijs qua inhoud en omvang niet op de snel groeiende bevolking toegesneden. Ook in andere segmenten van de publieke sector neemt de onrust toe. Er is een voortdurende dreiging van stakingen. De omvang van (onderdrukte) maatschappelijke eisen tot verbetering van inkomens en andere sociale omstandigheden neemt toe.

Sinds de staatsgreep van 19 september 2002 functioneren de sociale diensten in het noorden en het westen van Ivoorkust slechts gedeeltelijk vanwege een massale exodus van ambtenaren. De humanitaire situatie is inmiddels verbeterd, maar er bestaat nog steeds onvoldoende toegang tot medische zorg, veilig drinkwater en onderwijs. Inmiddels zijn er zo’n 500.000 ontheemden in Ivoorkust en hebben zo’n 500.000 migranten uit Burkina Faso, Mali en Guinée het land verlaten om aan vervolging te ontkomen.

Mensenrechten

De bevolking van Ivoorkust is etnisch divers. Sociale discriminatie op grond van etnische afkomst komt tussen alle etnische groepen voor. Wijken in de steden hebben nog een duidelijk etnisch karakter en de grote politieke partijen hebben aanwijsbare etnische en regionale bases. Sociale en politieke spanningen treden vooral op tussen noorderlingen en zuiderlingen, oftewel tussen stammen uit het zuiden van Ivoorkust, die zich als ‘echte’ Ivorianen beschouwen, en stammen uit het noorden van het land, waarvan de stamgebieden zich dikwijls uitstrekken tot in de noordelijke buurlanden Burkina Faso en Mali.

De mensenrechtensituatie verslechterde dramatisch na de staatsgreep van september 2002. Dit duurde tot aan het akkoord van Linas-Marcoussis. Er waren talloze berichten over willekeurige arrestaties, intimidatie en moord. Alle partijen hebben kindsoldaten geworven en de rechten van vluchtelingen geschonden.

Na de gebeurtenissen van 25 maart 2004, waarbij de ordediensten tientallen tot honderden betogers hebben omgebracht, is de tot dan toe relatief stabiele veiligheidssituatie verslechterd. Met name in de volkswijken van Abidjan waar zowel veel noorderlingen als West-Afrikaanse immigranten wonen, is de situatie bijzonder fluïde door de activiteit van paramilitaire bendes die de bewoners intimideren, afpersen of in enkele gevallen onderwerpen aan lichamelijk geweld.

In het noorden van Ivoorkust komt nog steeds incidenteel geweld voor, waar burgers slachtoffer van kunnen worden of hinder van kunnen ondervinden. Met name West-Afrikaanse buitenlanders en niet uit het westen van Ivoorkust afkomstige Ivorianen worden slachtoffer van geweld, waarbij al tientallen doden en honderden gewonden zijn gevallen. Tevens worden zij gedwongen hun landerijen en dorpen te ontvluchten en elders een veilig heenkomen te zoeken.

Op 3 augustus kwam er een persverklaring uit van ONUCI waarin melding wordt gemaakt van ernstige mensenrechtenschendingen in het door de Forces nouvelles gecontroleerde gebied rond Korhogo. De verklaring maakt melding van drie massagraven waarin zich ten minste 99 doden bevinden ten gevolge van een strijd tussen rivaliserende groepen binnen de Forces nouvelles.

In het programma van de regering van Nationale Verzoening is voorzien in een Nationaal Mensenrechten Comité en een Internationaal Comité voor onderzoek naar ernstige mensenrechtenschendingen. De op 6 augustus 2003 aangenomen amnestie wetgeving geeft amnestie aan personen die politieke daden hebben gepleegd tegen de veiligheid van de staat tussen september 2000 en september 2002. Het geeft nadrukkelijk geen immuniteit voor misdaden tegen de menselijkheid en serieuze economische overtredingen.

Nadat de Ministerraad inmiddels had ingestemd met de oprichting van de Nationale Mensenrechtencommissie, aanvaarde het parlement, in bijzondere zitting bijeen, op 23 april 2004 de Wet op de Nationale Mensenrechtencommissie (commission nationale des droits de l’homme de la Côte d’Ivoire CNDHCI).

Buitenlands beleid en veiligheidsbeleid

Ivoorkust heeft zich binnen de kring van voormalig Frans-Afrikaanse koloniën voortdurend gemanifesteerd als één van Frankrijks trouwste partners. De relatie met de anglofone landen was gereserveerd. Die relatie onderging pas enige verbetering sinds het aantreden van President Bedié in 1993.

Ivoorkust is economisch gezien het belangrijkste lid (40% van het gezamenlijke BNP van de lidstaten) van de West-Afrikaanse Economische Monetaire Unie (UEMOA).

Sedert de eerste coup is Ivoorkust binnen Afrika, met name binnen de West-Afrikaanse regio (waar het herhaaldelijk een bemiddelende rol speelde) en internationaal gezien enigszins in een buitenlands-politiek isolement geraakt.

Ivoorkust heeft een veiligheidsovereenkomst met Frankrijk. Naast de ECOWAS-troepen bevinden zich ca. 4000 Franse militairen in Ivoorkust, teneinde de wankele vrede tussen regering en (voormalige) rebellen te ondersteunen. Het Ivoriaanse regeringsleger is slechts aanwezig in het gebied ten zuiden van de wapenvrije “Vertrouwenszone” waar het, met name in het zuidwesten, samenwerkt met de Franse en ECOWAS-troepen. Het regeringsleger is intern verdeeld en slecht georganiseerd. De binnenlandse veiligheid van Ivoorkust is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Nationale Politie (ca. 12.000 agenten) en de Gendarmerie (ca. 8.500 agenten).

De regering van Ivoorkust ziet zich sinds de staatsgreep van september 2002 gedwongen de bemiddeling van en eventuele vredestroepen uit de buurlanden te accepteren. De relatie met Burkina Faso is gespannen omdat zich onder de rebellen veel Burkinabé bevinden.

 

 

Comments are closed

  • Africa Web TV